Na de Tweede Wereldoorlog werd het doel van het stamboek om op basis van de oorspronkelijke populatie een
modern, Europees rijpaard te fokken. Een deel van de fokkers koos er echter niet voor om mee te doen
aan de hervorming. Zij besloten het oorspronkelijke allround-type in stand te houden. Met een eigen,
kleine fokrichting is daarvoor ruimte gemaakt binnen het KWPN.
Het Gelders paard heeft voorheen ook "basispaard" en "veelzijdigheidspaard" geheten. Deze termen geven de
gebruikswaarde van het paard aan: zowel onder het zadel als aangespannen.
Het Gelders type is een cultuurras dat meer dan 500 jaar oud is.
Er wordt hier een scheiding gemaakt in de
historie voor 1890
en de
historie na 1890, omdat in dat jaar het eerste Gelderse stamboek werd opgericht.
Tenslotte wordt de
historie na 1945 besproken, de na-oorloogse geschiedenis.
De provincie Gelderland nam van oudsher onder de paardenfokkende provinciën in Nederland een zeer voorname
plaats in, met een goede reputatie. Door geheel Europa gold het Gelderse paard als een excellent cavaleriepaard, terwijl het na
de uitvinding van de rijtuigen ook als tuigpaard hoog gewaardeerd werd.
Volgens oude documenten moet het oorspronkelijke 'Geldersche paard' naast een sierlijk exterieur, kracht en
deugdzaamheid bezeten hebben. Het schitterde vooral in de voorhand, door een fraai hoofd, sierlijke hals en hoge gang.
Daarbij had het een levendig temperament. Geen wonder dus, dat de op praal beluste edellieden graag deze dieren als
rijpaarden gebruikten.
Wat de eigenlijke origine van het Gelders paard betreft, is niet veel met juistheid bekend. Maar in alle oude stukken
waarin sprake is van dat paard, wordt het beschreven als een zeer mooi en buitengewoon goed paard. Vrij zeker mag men
aannemen dat het destijds zulke kenmerkende eigenschappen bezat, dat het als een afzonderlijk ras beschouwd moet worden.
In 1890 werd het eerste stamboek voor de Gelderse fokkerij opgericht: 'het Geldersch Stamboek'. De provincie belastte
de commissie tot bevordering van de paardenfokkerij met de leiding van een verplichte keuring die weer werd ingevoerd.
In 1902 werd het Gelders paardenstamboek herzien. In artikel 3 werd de verdeling van het Geldersch paardenstamboek
in twee afdelingen opgenomen:
-
Afdeling A bevatte het beste fokmateriaal geschikt voor het verkrijgen en in
stand houden van een sierlijk koetspaard met goed gevormde, opgerichte hals, goede -bij voorkeur hoge- gangen en
tevens voldoende zwaar voor het landbouwbedrijf in Gelderland.
-
Afdeling B bevatte de beste fokpaarden van
een zwaarder slag, bij voorkeur geschikt voor het fokken van veulens bestemd voor export op 1,5-jarige leeftijd.
Het type is een krachtig gebouwd, breed werkpaard met zware benen, goede stap en vierkante ruime draf.
De afdeling B
had dus meer het oog voor het koudbloedpaard, dat enkele jaren daarvoor in Gelderland zijn entree had gemaakt.
Door de subsidie van Rijk en provincie, de verplichte keuring van alle hengsten, de primering van fokmerries,
het stationeren van provinciale hengsten, het registreren van de paarden in een stamboek en het houden van
premiekeuringen vormde Gelderland in korte tijd de achteruitgang van het ras om en verbeterde.
De beste streken voor de fokkerij waren Elst, Tiel, Geldermalsen, de IJsselstreek en de buurt van Brummen.
Het was in hoofdzaak te danken aan het stamboek, dat meer werd gelet op een goed exterieur van
een merrie voordat deze voor de fokkerij werd gebruikt.
Het Gelders paard was rond 1900 een sierlijk rijtuigpaard met een behoorlijke taille, fraai hoofd en sterke hals.
De goed gevormde romp met hoge staartimplant rust op solide ledematen. In gang toont het paard zich edel. Ruime,
hoge gangen, levendig temperament, fraaie robe en over het algemeen weinig gebreken waren kenmerken het Gelders paard.
Het produkt van goed doordachte kruisingen en fokkersintelligentie.
De ontwikkeling van de na-oorlogse warmbloedpaardengeschiedenis is in drie fasen te verdelen:
- De jaren 1945-1955 is het tijdperk van het Gelderse (en Groninger) type als bedrijfspaard. Na 1950 begon de trekker
zeer snel de taak van het paard over te nemen. Het gevolg was een grote uitverkoop van het bedrijfspaard.
- In de jaren 1955-1965 vindt er een langzame typewijziging plaats naar meer bruikbaarheid in de landelijke ruitersport.
Gebruik van Holstein-bloed in het Noorden en gebruik van Frans bloed in het Midden en Zuiden van Nederland.
- In de periode 1965-1976 is er de omschakeling naar het gebruik in de recreatie. Deze periode bracht een sterk
ingrijpende verandering op twee punten:
a. het gebruikstype werd gesplitst en gepropageerd naar het tuigpaard en het rijpaard;
b. de hengstenstapel werd in korte tijd sterk gewijzigd qua samenstelling met name door een ruime plaats te geven aan de
buitenlandse rijpaardhengst (m.n. de Volbloed).
Eind 1997 wordt de 'Vereniging van Fokkers en Liefhebbers van het Basispaard' opgericht.
De statuten van de vereniging, specifiek de doelstelling en bloedvoering, worden begin 1992 gewijzigd. Deze vereniging
stelt zich het in stand houden van een elegant gebouwd basispaard, ook Gelders type genoemd, ten doel.
Letterlijke tekst uit de statuten:
"Het Gelders type, zijnde een cultuurras, dient
middels oorspronkelijke bloedlijnen en exterieurkenmerken behouden te blijven. Dit basispaard dient te beschikken
over een rijke voorhand, voldoende bot en massa, imponerende vierkante gangen met veel stuwing en kracht vanuit de
achterhand, geschikt voor veelzijdig gebruik, zowel aangespannen als onder het zadel. Het basispaard onderscheidt
zich door een blij optreden en betrouwbaar en werkwillig karakter.
Tot basispaard worden paarden gerekend, waarvan de drie generaties (ouders, grootouders of overgrootouders) in het BP,
Sgldt, Sgrt casu quo NWP zijn geregistreerd, m.u.v. NWP-hengsten die in het sportstamboek werden geplaatst. Tevens
kunnen tot het basispaard worden gerekend die paarden die beschikken over ouders, grootouders of overgrootouders, die
bij het KWPN-stamboek zijn geregistreerd, doch maximaal over éénachtste vreemd bloed beschikken met uitsluiting van de
Hackney. Onder vreemd bloed wordt verstaan, uit het buitenland geïmporteerde paarden danwel paarden behorende tot
een ander ras dan het Nederlands gefokte warmbloedpaard. Bij uitzondering (dispensatiemogelijkheid) kan een
merrie/hengst erkend en ingeschreven worden in het basistype, als deze qua bouw en bloedlijnen past binnen de
basisfokkerij."
Jarenlang genoot de 'Vereniging van Fokkers en Liefhebbers van het Basispaard' de status van erkende belangenvereniging
binnen het KWPN. In oktober 1994 besloten de leden om de vereniging 'slapend' te laten
voortbestaan. Dit naar aanleiding van de komst van zgn. categorale afdelingen binnen het KWPN. Voor de leden van het
vroegere basispaard werd dit de Categorale Afdeling Gelders Paard (CAGP).